Vorige onderwerp
3. Chemische binding
Volgende onderwerp

3. Negatieve mono-atomische ionen

Chloor

17Cl: 1s2 2s2 2p6 3s2 3p5

Een chlooratoom heeft 7 elektronen in de buitenste schil.

Door één elektron op te nemen krijgt het atoom een stabiele edelgasconfiguratie:

Cl: 1s2 2s2 2p6 3s2 3p5 + 1 e → Cl- : 1s2 2s2 2p6 3s2 3p6

Het neutrale atoom krijgt daardoor echter een negatieve lading. Het wordt een negatief ion: chloride-ion.

 

Zuurstof

8O: 1s2 2s2 2p4

Een zuurstofatoom heeft 6 elektronen in de buitenste schil.

Door twee elektronen op te nemen krijgt het atoom een stabiele edelgasconfiguratie:

O: 1s2 2s2 2p4 + 2 e → O2- : 1s2 2s2 2p6

Het neutrale atoom krijgt daardoor echter een tweemaal-negatieve lading. Het wordt een tweewaardig negatief ion: oxide-ion.

 

Stikstof

7N: 1s2 2s2 2p3

Een stikstofatoom heeft 5 elektronen in de buitenste schil.

Door drie elektronen op te nemen krijgt het atoom een stabiele edelgasconfiguratie:

N: 1s2 2s2 2p3 + 3 e → N3- : 1s2 2s2 2p6

Het neutrale atoom krijgt daardoor echter een driemaal-negatieve lading. Het wordt een driewaardig negatief ion: nitride-ion.

Samengevat

Negatieve mono-atomische ionen
Niet-metalen uit de hoofdgroepen VIIa (17), VIa (16) en Va (15) bezitten 7, 6 of 5 elektronen in de buitenste schil. Door 1, 2 of 3 elektron(en) op te nemen verkrijgen ze een stabiele edelgasconfiguratie, maar de gewijzigde atomen krijgen daarbij een negatieve lading: 1- , 2- of 3-. Het worden negatieve (- , 2- , 3-) ionen of anionen.
Vorige onderwerp
Volgende onderwerp